De Twentsche Courant Tubantia op Zondag
DE ZONDAG
- Interview van zondag 29 juli 2007door Willem Pfeiffer, foto
Rikkert Harink
Overal een beetje een feest van maken
Het is alsof voor haar de cirkel zo’n beetje rond is. „In mijn
jeugd zat ik altijd in slootjes, kikkervisjes kijken. Vroeger tekende ik
altijd al paarden, natuur en zo. Eigenlijk komt dat nu allemaal bij
elkaar. De oer-Margriet komt terug, besefte ik.” Margriet Markerink over
de halve eeuw van haar bestaan. Een solo.
Margriet Markerink (50), zangeres, schrijfster en levenskunstenaar.
Twee maanden te vroeg wordt Margriet Markerink op 2 maart 1957 geboren
in het katholiek ziekenhuis van Enschede. „Mijn eerste actie was door de
handen van de zuster piesen”, weet ze uit de overlevering. Haar grootste
bekendheid ontleent ze aan de prille jaren tachtig. Als beloftevolle
zangeres, die voor haar liedjes met de onafscheidelijke gitaar zelf de
teksten en de muziek schreef, leverde haar eerste langspeelplaat direct
een Zilveren Harp op. Maar de
dan
al jaren in Neede woonachtige zangeres van ballades en folksongs, voelt
zich niet zo thuis in het opgeklopte artiestenwereldje. Tegenwoordig
zoekt ze voor een optreden mensen in hun eigen huiskamer op. En schrijft
ze. Vaak over de natuur en meer in het bijzonder over paarden. Boeken,
zoals over het bijzondere wilde ras de koniks. En voor vakbladen als
Landleven, Mensport en De Hoefslag maakt ze opvallende reportages.
Margriet Markerink woont sinds 2006 samen met CranioSacraal-therapeut
Roy van de Geer in de landelijke omgeving van Groenlo.
Margriet Markerink: „Ik ben altijd vrolijk en
optimistisch. Een wonderlijke
combinatie van diepgang en levensvreugde.”
We woonden in Enschede midden in de stad, al kon je dat
destijds nauwelijks zo noemen. Mijn moeder zette me op een stoel voor
het raam. En al duurde het uren, ik wachtte tot de schillenboer met zijn
paard langskwam. Toen mijn vader een baan vond in Neede, zijn we
verhuisd. Dat was al wat meer dorp. Jongens vond ik interessanter dan
meisjes. Met hen kon je vissen, hutten bouwen, dat soort dingen. Dat
heeft me altijd meer getrokken dan poppen. Ik speelde met m’n vriendjes
op de Needse Berg. Toen ik in de zesde klas zat, kwam mijn moeder me een
keer achterna. Ze maakte zich zorgen, want ik begon borstjes te krijgen.
Heeft ze een halve dag in de bosjes gelegen, omdat ik met jongens weg
was. Maar we waren alleen aan het vissen, haha.
Van de mavo ging ik naar de havo. Dat was opzet van mijn
ouders. Die wilden me eerst mijn hobby’s gunnen, vooruit kon ik met
leren altijd nog. Op de havo aan de RSG in Lochem viel ik met de neus in
de boter. Er was elk jaar cabaret en de leraren schreven een musical.
Het grappige was dat veel kinderen bleven zitten, omdat ze veel te druk
waren met die musical. Ik slaagde gewoon. Vanuit die school ging ik een
keer naar Amsterdam voor een workshop theater in het Behouden Huys, een
jeugdhotel. Daarnaast zat een kantoortje van een piepklein
platenmaatschappijtje. Op een avond had ik de gitaar mee en kwam er een
man binnen, die vroeg of ik een demootje wilde opnemen. Ik schreef
liedjes om mijn Engels te vervolmaken. Zangles kreeg ik van Elly de
Jong, die ook Robert Long als leerling had.
Op mijn zeventiende werd ik ontdekt. Destijds waren Los
Vast en KRO’s Springplank op televisie. Stom toevallig werd Los Vast op
zaterdag uitgezonden en Springplank een dag later, toen ik in het
programma zat. Stapels platenmaatschappijen kreeg ik op me af. Op mijn
negentiende had ik mijn eerste eigen single, ‘Crazy Life’. Een Engelse
bewerking van een Franstalig liedje. De producer zei dat we met iets
commercieels moesten beginnen. ‘Waarom niet een eigen liedje?’, vroeg ik
nog. Het werd toch de Engelse vertaling. Daarna heb ik met onder anderen
Tetske van Ossewaarde en Cabaret NAR met Youp van ’t Hek drie weken in
onder meer Klein Bellevue in Amsterdam en ’t Hoogt in Utrecht gestaan.
Na de Zilveren Harp van 1980 barstte het hele circus
echt los. Het jaar erop werd ik uitgenodigd voor het songfestival in
Sopot. Net met de opkomst van LechWalesa. Tijdens de historische staking
in Gdansk werden we met bussen naar het openluchttheater daar gebracht.
Onderweg zag je steeds meer schepen
stil liggen en mannen met karabijnen. Ik waande me midden in een soort
Fellini-festival. Daar werd geschiedenis geschreven, dat besefte je pas
later. Al die speldjes met Solidarinosk erop, er hing een heel raar
sfeertje. Het was het begin van de val van het IJzeren Gordijn. Ik was
in Sopot om ervaring op te doen. Harry van Hoof had de arrangementen
gemaakt. Hij was ook mee. Met een echt symfonieorkest nog hè, dat was
kicken. Ik ging niet om te winnen, veel meer om contacten te leggen met
medemusici. Kon ik ook eens Russen in het echt zien. Een Oostblokgroep
won, maar mijn eigen resultaat kreeg ik niet te horen. Terug in
Nederland zei mijn helderziende oma, dat ik vijfde was geworden. Ze had
een warm gevoel op de borst gekregen en een lichtende gestalte gezien.
Mijn vader heeft het later nagevraagd, was ik inderdaad als vijfde
geëindigd.
Een paar jaar later vroeg Conamus me of ik mee wilde
doen aan het wereldtroubadourfestival in Curaçao. Daar was ik nooit
geweest. Kwam ik het vliegtuig uit, terwijl ik nog nooit in de tropen
was geweest en zei ik: ‘Wat zijn die vliegtuigmotoren nog heet he?’ Zegt
een journalist tegen me dat het daar altijd zo warm is… En roep ik dat
er een vogeltje ontsnapt is, krijg ik te horen dat ze daar altijd in het
wild leven. Wist ik veel. Ach, ik ben zo’n simpele ziel. Ik moest mijn
liedje zingen, maar mocht niet met het publiek praten. Heb ik mijn
schoenen uitgetrokken en alleen ‘poeh, poeh’ gezegd. Won ik daar ook
nog. De hoofdprijs was een reis naar Curaçao, die heb ik in
carnavalstijd gedaan. Als winnaar mocht ik er later ook nog een special
laten maken en vervolgens nog eens een lustrum meevieren. Fantastisch.
Op een gegeven moment werd mijn bekendheid wat tanende.
Ik dacht: als ik het nou eens omkeer? Heb ik een programma bedacht
waarmee ik kwam voor de mensen en zij niet voor mij. Zowel geschikt voor
partijen als de zakelijke markt. Dan vroeg ik bijvoorbeeld een vlag van
het bedrijf. Mijn moeder verknipte die dan tot kostuum en dan trad ik op
in het logo van die firma. Met info vooraf kwamen daar dan liedjes op
maat uit. Dat heb ik ook een hele tijd voor de radio gedaan. Het is
altijd mijn streven geweest om zoveel mogelijk leuke dingen te doen in
mijn leven. Creatief zijn vind ik een taak van de mens. Als mensen zich
vervelen, is dat een aanmoediging om creatief te worden. Ooit moest ik
voor een chemieconcern een optreden doen. Vooraf had ik informatie
gekregen. Het was een feestje voor een heleboel autospuiters. Voor de
pauze kwam ik op in een versierde oude mottige jas en zo’n gleufhoed op.
Ik had de naam Beun de Haas verbasterd tot Teun de Baas. Die deed veel
zwart werk, had nagels met rouwrandjes, je kent dat wel. In de pauze
kreeg ik te horen, dat het tweede deel van mijn optreden niet door kon
gaan. Een van de grote autospuiters was
ooit zelf opgepakt, had er zelfs een week voor in de Bijlmerbajes
gezeten….”
„Voor de grote business was ik niet geschikt, ik was er
ook te onzeker voor. Had iets te brede heupen, die moesten gemaskeerd.
Het was nooit goed hoe je was. Dag schat, leuk je te zien. En dan kreeg
je weer een zoen in de lucht. In de muziekwereld heb je te maken met een
hoge mate van onechtheid. Het is zeker
een karaktermisvormend medium. Een artiest, een cd, is een product, dat
heb ik me vroeger nooit zo gerealiseerd. Ik heb naar Idols gekeken, dan
zie je hoe iemand transformeert. Dat heb ik altijd te weinig toegelaten,
want dat ben ik toch niet? Dat het je boetseert tot iets, daar kon ik
niet mee omgaan. Als
zangeres ben ik eventjes doorgebroken en toen teruggezwommen. Dat
wereldje was niet iets voor mij.
Nadat ik mijn derde lp in eigen beheer had gemaakt, ben
ik een hele tijd gestopt. Altijd bij nacht en ontij van huis, die
make-up, die oppervlakkigheid in dat wereldje, het ging me allemaal
steeds meer tegenstaan. Ik had denk ik ook de juiste mentaliteit niet.
Ik moest om mezelf lachen dat ik artiestje liep te spelen. Het was soms
heel beangstigend. Dan zat ik in de trein en dan hoorde je mensen
smoezen: is dat niet… Alsof je er zelf niet bij zat. Ik wist ook nooit
of het mannen om mij te doen was of om mijn bekendheid. Daar werd ik
paranoïde van. Ik was wel behoorlijk eigenwijs. Als ze me een repertoire
wilden aanpraten, zei ik: ‘Je denkt toch niet dat ik dat ga zingen?’ De
hitparade was nooit mijn hoogste doel. Soms trad ik op voor het leger in
kazernes. Dan had ik een soort overall aan en dan riepen ze: ‘Broek uit,
broek uit’. Riep ik terug: ‘Weet je hoe lang het duurt voor ik die
overall uit heb?’
Ik ben altijd vrolijk en optimistisch. Een wonderlijke
combinatie van diepgang en levensvreugde. Alles eruit halen wat erin
zit, dat ligt me. Ik merk ook aan andere mensen dat mijn vrolijkheid
besmettelijk is. Overal een beetje een feestje van maken, dat heb ik ook
sterk met kinderen. Nee, ik heb ze zelf niet. Nooit gewild, heel
wonderlijk. Ik schijn het op de lagere school al gezegd te hebben. Het
idee kinderen op de wereld te moeten zetten, heb ik mij hele leven niet
gehad. Terwijl ik gek ben op kinderen. Zet ze bij me in de buurt en het
is helemaal raak. Als ik baby’s of kinderen om me heen heb, ben ik een
soort moeder. Maar als ik wegga, is dat over. Kinderen voelen dat, gaan
gelijk de diepte in. Mijn verklaring is dat ik ze zelf niet hoef te
baren om die diepte met kinderen te krijgen. Ja, daar zijn best wel een
paar verkeringen op afgeknapt.”
„Mijn oma is 93 geworden, een heel mooie leeftijd. Ik
heb het altijd eng gevonden dode mensen te zien. Die zien er uit als
wassen beelden en dan ben ik altijd bang dat ze zo gaan bewegen. Je ziet
dat de ziel weg is. Maar toen na het overlijden van mijn oma niemand van
de familie iets zou zeggen, heb ik het maar gedaan. Zo’n afscheid is
indrukwekkend, ik vond gewoon dat het moest. Heb ik een soort van
conference van een kwartier gehouden hoe oma in elkaar zat. Het was heel
mooi in die aula bevestigd te zien hoe ik haar geschilderd had. Mensen
huilden, maar waren toch ook vrolijk.” „Met mijn vader maken we
momenteel een indrukwekkend proces door. Hij kreeg de diagnose dat hij
slokdarmkanker had. Het werd bestralen én chemokuren. Kanker maakt van
mensen een hoopje niks. Ik heb me ten doel gesteld hem uit het dal te
halen, er een feestje van te maken. Elke keer kregen mijn moeder en ik
hem toch een beetje aan het lachen. Toen hij voor zijn laatste
bestraling ging, zei de dokter dat het niet meer hoefde. Hij was
overbestraald. Bleek hij lekkende hartkleppen te hebben. Een aantal
keren is vocht achter de longen weggehaald. Tot de dokter dat ook niet
meer aandurfde en vader naar een cardioloog stuurde. Die hield een mooi
verhaal, maar kon niks doen. Hij vroeg hoe het mijn vader leek naar zijn
geliefde Frankrijk te gaan en daar heel mooi uit het leven te gaan.
Vader leeft nog steeds. Het bewijst zijn levenskracht. Hij had soms
olifantspoten, dan noemde ik hem mummie Markerink. Ik denk dat humor in
zo’n situatie heel belangrijk is. Elke lach is er één die een beetje
heelt.”
„Wat ik doe tegen grijze haren? Niets! Na een promotie
van het Achterhoekse Dagen Gala zag ik dat ik al behoorlijk grijs werd.
Eerst moest ik wel iets overwinnen. Ik bedacht me dat ik misschien wel
iets te weinig respect voor mijn publiek had als ik mijn haar niet
verfde en me niet opmaakte. Maar ik dacht: dit ben ik, het is mooi. Dat
heeft te maken met accepteren hoe je bent. Ik hoef ook niet zo nodig
briefjes van honderd in mijn decolleté om een liedje te zingen. Dat is
me één keer gebeurd. Dat geld heb ik aan mijn vader gegeven, ik hoefde
het niet. Jong zijn heeft puur met commercie te maken.Wat de reclame
vertelt, is dat je niet goed bent zoals je eruit ziet. Dat is alleen om
eraan te verdienen, daar moet je niet in trappen. Daarom zijn kinderen
en ouderen ook zo leuk, die zijn echt. Hoe ouder je wordt, hoe meer je
doorkrijgt hoe het in werkelijkheid zit. Elke belevenis maakt je rijker.
Zelfs door het meest negatieve krijg je steeds meer stukjes wijsheid.”
„In 2005 heb ik Roy leren kennen op een website voor
hoog opgeleiden. In een bar kwam ik nooit, ik houd niet van doorzakken.
Om elf uur begin ik te gapen, als anderen vrolijk uitgaan. Van die site
heb ik een hele studie gemaakt. Het was één grote visvijver. Je schrijft
een profiel van jezelf en de eerste neiging is jezelf veel beter af te
schilderen dan je bent. Maar je wordt gedwongen jezelf helemaal bloot te
geven. Vanaf onze eerste ontmoeting klikte het. Hij was de liefde
helemaal zat. Zelf had ik iets van: als ik liefde wil, knuffel ik de
bomen in het bos wel. Maar als het klikt, klikt het. Onverklaarbaar dat
je elkaars gedachten leest. Vorig jaar zeiden we tegen elkaar: ‘Zullen
we gaan partneren?’ Zijn we naar het stadhuis in Lichtenvoorde geweest
om in namaakondertrouw te gaan, voor de partnerschapregistratie. Die
ambtenaar daar had vreselijk lol om
ons.” „Ze mogen denken wat ze willen. Ik leg een grote nuchterheid aan
de dag. Maar ik zie dingen, die geen toeval meer zijn. Roy is
CranioSacraal-therapeut. Hij helpt mensen van jarenlange klachten af en
leert ze hun eigen gevoel te ontdekken of te herontdekken. Hij ziet
mensen soms binnenkomen als grijze muisjes. Na vier sessies gaan ze de
deur uit en zijn het personen geworden. Hij vroeg me mijn stem aan mijn
ogen te lenen. Dan hoor je dingen die niet positief voor je zijn. Het is
één van mijn missies, dat uit de verdomhoek te krijgen. Als je geaard
bent en je kunt ook voor hogere mysterieuze dingen openstaan, verrijkt
het je leven. Roy maakt mensen zacht, het mooie is het zelfgenezend
vermogen van mensen. Mijn ideaal is het te integreren. Ik loop met beide
poten op klompen door de stront, maar er is meer en ik laat het toe.
Daar is niks zweverigs aan, het is eerder onbegrijpelijk.”
„Dieren kunnen me geweldig ontroeren. Zo ben ik een dag
met een fotografe op pad geweest voor een reportage over koniks. Langs
de Lowaard bij Duiven liep zo’n kudde wilde paarden.We kregen het warm
en ik ging lekker liggen. Ben ik in slaap gesukkeld. Toen ik wakker
werd, stonden drie veulens om me heen, eromheen wat oudere paarden. Toen
ik me oprichtte, keek ik in de mond van een merrie. Ik ben spontaan in
huilen uitgebarsten. Die beesten kunnen je naar een andere wereld
schoppen, helemaal kapot maken. Maar ze gaan om je heen staan om je
tegen de zon te beschermen. Dat is zo ontroerend.” „Als iets me heel erg
raakt, zoals een bepaalde film, dan kan ik in blubber eindigen. Ik ben
heel gevoelig voor wat goed is. Soms noteer ik gewoon een stelling, die
ik ergens zie. Zoals: een onverklaarbare ziekte zit in het brein van de
behandelde arts. Ik verzamel al die dingen uit kranten en bladen. De
dingen die goed zijn, die als heilzaam voelen, die het hoge in de mens
tonen, die laten zien waartoe hij in staat is. Maar zolang de mens in
verdeeldheid denkt, wordt het niks. Nu hebben we het grote belang dat we
de aarde moeten redden. Ik ben erg onder de indruk geraakt van films als
‘An Inconvenient Truth’ en ‘The Secret’. Op een forum op het internet
heb ik geschreven dat het me niet verstandig lijkt om elkaar voor rotte
vis uit te maken. Het gaat er nu om dat je beseft een eenheid te zijn en
dat je als mensheid voor de aarde moet gaan. Ik snap trouwens sowieso
niet dat mensen tegen elkaar kunnen zijn.” |